Studio Labas logo

Wat deed Jona in de walvis?

 

Lang geleden, toen koningen nog zelf regeerden, was er rondom de koning altijd een kring van raadgevers. Die raadgevers werden in die tijd zieners of profeten genoemd. Behalve raad geven aan de koning moesten ze hem vaak ook vertellen hoe God of de Goden over bepaalde ondernemingen dachten. Het beroep van zo’n raadgever of profeet, zoals ik ze verder zal noemen, was dus niet altijd even gemakkelijk. Stel dat de profeet een boodschap van God had die de koning niet beviel? Dat kon je in die tijd zo maar het leven kosten. Het is dan ook niet vreemd dat veel profeten dat niet durfden en zeiden wat de koning graag wilde horen. De God van Juda  was niet te vergelijken met de machtige Goden van de omringende volken. Hij had ook geen naam. Hij werd wel gezien als een zorgzame God.

 

Opvallend is dat in de koningsverhalen van Juda en het broedervolk Israël alleen de namen genoemd worden van de profeten die het niet konden laten om de boodschappen die zij van hun God kregen aan de koning door te geven. Een van die profeten was Jona. Hij had geluk gehad. Israël en Juda werden bedreigd door de legers van het machtige Assyrië. Zij plunderden de overwonnen landen en roofden alle kostbaarheden. Belangrijke inwoners werden ook nog eens gevangen genomen en als ballingen naar de hoofdstad Ninevé gebracht. Dat stond dus ook hen te wachten. Jona, die de koning al veel vervelende boodschappen had moeten brengen mocht nu aan koning Jeróbeam melden dat hij het gevecht zou winnen en dat het Assyrische leger op de vlucht zou slaan. Het gebeurde zoals hij had voorspeld.

 

Nu is er iets wonderlijks aan de hand. Jaren later schrijft er iemand in Juda een verhaal over Jona, een man die ook een boodschap van God krijgt. De luisteraars van toen dachten bij het horen van die naam meteen aan bovengenoemde profeet. Dat wilde de verteller want hij laat het verhaal als volgt beginnen: Van God kwamen de volgende woorden tot Jona: ’ Maak je gereed en ga naar de grote stad Ninevé. Zeg daar dat het kwaad dat ze doen tot in de hemel is doorgedrongen.’ Jona  stond op en in plaats van naar Ninevé te ging hij de tegenovergestelde kant op, naar de zee. Deze profeet, die bekend stond om zijn trouw aan God, sloeg op de vlucht. Hij wilde zo ver mogelijk weg.

 

Zo snel hij kon ging hij naar de havenstad Jafo. Daar vond hij een schip dat naar Tharsis zou varen. Hij betaalde de overtocht en klom in het schip. De eens zo trouwe Jona wilde God niet meer zien. Dat zei hij ook tegen de zeelui. Die vonden het allemaal best. Het was tenslotte hun God niet. Zij maakten de touwen los. De wind stond gunstig om uit te varen. Jona zocht een plaatsje helemaal onder in het schip. Nauwelijks waren ze op volle zee aangekomen of de wind veranderde. Van alle kanten begonnen windvlagen het schip te teisteren. Een storm zwiepte de golven omhoog, het schip kraakte. De zeelieden kregen het benauwd, allemaal begonnen ze hun eigen God aan te roepen en smeekten om redding. In opdracht van de kapitein  maakten ze de touwen van de vracht los en gooiden de hele lading overboord. Misschien konden ze het schip en daarmee ook hun leven redden. Het hielp allemaal niet. 

 

De lading was overboord. De zeelieden keken naar de kapitein. Wat konden ze nog meer doen? Het schip was een speelbal van de golven geworden die soms metershoog over het dek sloegen. De lucht was overal inktzwart. Nergens was een lichtpuntje te bekennen. Er moest een wonder gebeuren wilde zij het er nog levend vanaf brengen. De kapitein ging naar beneden om Jona te zoeken. Tot zijn grote verbazing zag hij hem slapen alsof er niets aan de hand was. ‘He, wordt eens wakker’, riep de kapitein. Hij pakte Jona bij zijn schouder en schudde hem heen en weer. ‘Wakker worden man. Hoe kun je nu zo diep slapen. Sta op en ga bidden tot je God. Misschien zal hij aan ons denken zodat we niet vergaan.’

 

Jona was niet van plan te gaan bidden, maar dat zei hij niet. Hij kwam bij de zeelieden op het dek. Die waren tot de conclusie gekomen dat dit geen gewone storm was. Dit moest een straf zijn voor één van hen. ‘Laten we loten werpen kapitein, zodat we te weten komen wie de schuld is van deze storm.’ De kapitein stemde toe, dus wierpen zij de loten. Ook Jona moest meedoen en het lot viel op hem. Enigszins argwanend keken ze hem aan. ‘Leg een uit waarom deze storm ons moet overkomen, wat doet u voor werk? Heeft het te maken met uw land, uw volk? Zeg het ons.’

 

‘Ik behoor tot degenen die  geen land bezitten. Ik heb ontzag voor hem die de God is van de hemel, die de zee en het land gemaakt heeft.’ De zeelieden wisten dat hij voor zijn God gevlucht was, ze hadden daar toen de schouders over opgehaald. Nu voelden ze enorm veel ontzag voor die God. ‘Heer’, zeiden ze tegen Jona, ‘de storm neemt alleen maar toe. Wat kunnen wij doen om hem te bedaren?’ ‘Neem mij op en werp mij in de zee. Dan zal de storm bedaren. Deze storm overkomt jullie vanwege mij.’ De zeelieden keken elkaar aan. Ze keken Jona nog eens aan. ‘Nee,’ zei er een. ‘We doen het niet,‘ zeiden de anderen. ‘Roeien,’ riep de kapitein toen. De mannen sprongen achter de riemen en roeiden terug richting de kust. Hun spanen groeven zich steeds dieper in het water maar hoe hard ze ook roeiden, ze kwamen geen meter vooruit. De storm leek zich regelrecht tegen hen gekeerd te hebben. Ten einde raad baden zij gezamenlijk tot de God van Jona. ‘Heer God laat ons toch niet vergaan om de ziel van deze man. Leg niet de schuld bij ons voor wat hij heeft gedaan. Doe wat u meent te moeten doen, wij zullen dat ook doen.’ De zeelieden pakten Jona op en wierpen hem in de zee. ‘In Godsnaam daar ga je,’ riepen ze hem na. Tot hun grote verbazing ging de storm liggen. ‘Kijk, de hemel breekt open, daar is de zon.’ Met nog meer ontzag vielen de zeelieden op hun knieën en dankte de God van die vreemdeling Jona. Dit zouden ze nooit meer vergeten.

 

Jona verdween in het kolkende water en werd naar de diepte gezogen. Hij was onherroepelijk op weg naar de onderwereld. Jona vond het goed maar God niet. Die stuurde een grote vis en die vis slokte Jona op. Na drie dagen en drie nachten in het ingewand van de vis gezeten te hebben begreep Jona zijn situatie. Hij was niet aan God ontkomen. Hoe had hij dat ook kunnen denken. Als God mij niet loslaat, dacht Jona, dan rust hij niet voor ik naar Ninevé ga om daar zijn boodschap te brengen. ‘God’, riep Jona. ‘Ben ik u ooit ontrouw geweest? Heb ik ooit geweigerd een boodschap van u door te geven? Ik heb het gedaan met verachting van mijn eigen leven. Omwille van u ben ik menigmaal geslagen en heb ik in de gevangenis gezeten. Ik bleef in u geloven en heb nooit een van mijn gebeden overgeslagen. Zelfs toen ik weggevoerd werd en in ballingschap was, bleven mijn ogen gericht op uw heilige tempel. Zelfs in tijden dat ik vreesde voor mijn leven bleef ik u trouw en waren mijn gedachten bij u. God doe me dit niet aan. U weet toch dat die mensen alleen maar kwaad bedenken en in macht geloven? Hoe zullen ze u ooit trouw zijn. Alleen in nood beloven ze dat, maar ze zullen u vergeten zodra het hen beter gaat. Wat ik beloof zal ik doen. Ik weet dat u de enige ben die redding kan geven.’ Jona nam zijn hoofd in zijn handen. ‘God, luister voor één keer naar mij, uw trouwe knecht.’

 

Na dit gebed gaf God bevel aan de vis en de vis spuwde Jona uit. Daar lag Jona op het strand. Hij voelde zich niet blij met zijn redding. Hij voelde zich  door God miskend. Jona was niet verrast toen hij opnieuw Gods stem hoorde. ‘Sta op Jona en ga naar Ninevé. Roep in die grote stad  de woorden uit die ik jou opgedragen heb.’ Jona stond op. Tegenspreken had geen zin meer en weigeren nog minder. Hij ging naar Ninevé.

 

Ninevé was zo groot dat je drie dagen nodig had om er doorheen te lopen. Dat was geweldig groot in die tijd. Jona moest in het centrum zijn. Daar stonden de tempels en de paleizen. Maar waarom zou hij de boodschap ook nog eens persoonlijk aan de koning gaan vertellen. Na één dag gelopen te hebben vond hij het wel genoeg. Hij bleef staan en riep: ‘Over veertig dagen zal God deze grote stad Ninevé omkeren.’ Jona draaide zich om en ging weer weg. Zo, dat had hij gezegd. Misschien dacht Jona dat die paar mensen die het gehoord konden hebben hem niet zouden geloven. Maar dat deden ze wel. Als een lopend vuurtje ging de boodschap de stad door, vergezeld van de opdracht om te vasten. Van groot tot klein, iedereen deed mee. Ook kleden ze zich in zakken als teken van berouw. De boodschap bereikte de koning natuurlijk ook. Hij stond op van zijn troon en deed zijn koninklijke mantel uit. Eén met het volk deed ook hij een zak om en ging buiten op een ashoop zitten. ‘Roept het uit in heel de stad zodat iedereen het hoort: Bid en vast. Keer je om en stop met het kwaad. Zie af van jullie gewelddadige levenswandel. Wie weet krijgt die God berouw en zakt zijn boosheid, zodat hij  Ninevé niet omkeert.’

 

God zag wat de inwoners van Ninevé deden en kreeg berouw over het kwaad dat hij de stad aan wilde doen. Hij deed het niet. De stad werd niet omgekeerd. Jona begreep dat God af had gezien van zijn plannen en dat maakte hem buitengewoon kwaad. ‘Ik wist dat u berouw zou krijgen. Het was niet voor niets dat ik naar Tharsis wilde vluchten. Ik weet, U bent een God vol van genade, barmhartigheid en trouw. Maar waarom toont u nu berouw? Was het kwaad dan niet ten hemel schreiend, hadden de inwoners van Ninevé het niet aan hun eigen daden te danken? Neem mijn leven God. Ik ben liever dood dan dat ik dit aan moet zien.’ ‘Jona’, vroeg God hem, ‘is het echt wel terecht dat je zo kwaad bent, moet ik niet…’

 

Jona wilde niet meer horen wat God te zeggen had. Boos liep hij weg. Wat is hij voor een profeet als God niet naar hem luistert en terugkomt op zijn woord. Aan de oostkant van de stad maakte hij voor zichzelf een afdak tegen de zon en ging zitten. Hij wilde zien wat er met de stad gebeuren zou. Boos staarde hij voor zich uit. God wilde zo graag dat Jona  hem begreep en bedacht een plan om hem van zijn boosheid te verlossen. Hij liet in één nacht een boom met een dichte kruin naast hem opgroeien. 'God denkt aan mij', dacht Jona. 'Misschien heeft hij zich bedacht.' De volgende nacht liet God een worm aan de wortels van de boom knagen. 's morgens was de boom totaal verdord. Met dat de zon opkwam liet God ook een verzengende oostenwind waaien. Van zijn afdak bleef niets over. Jona bezweek bijna van de hitte. God daalde af naar Jona. ‘Wat is dit voor een leven God. Ik ga liever dood.’ ‘Je bent nu boos omdat ik de schaduwboom van je weg genomen heb. Je bent bekommerd om een boom die in één nacht opkwam. Een boom waar je niets voor hebt hoeven te doen. Zou ik me dan niet bekommeren om die grote stad Ninevé? Denk alleen al aan die duizenden kinderen en de dieren die er wonen.’

 

Jona wilde verder niets meer horen en liep weg. Hij verborg zich in een grot. Hij keek niet meer naar Ninevé, hij bad niet meer tot God. Eenzaam zat hij daar, langzaam versteende zijn hart. In de hemel was verdriet over deze houding van Jona. Zo nu en dan viel er een traan voor de grot. Zou ooit één van die tranen Jona’s hart treffen? 

 




Front-End Studio - beautiful responsive- websites and applications